|
Pers
|
Blacher voortreffelijk voor voetlicht gebracht - Opera Magazine, Basia Jaworski (15 augustus 2011) KamerOperaProject pakte flink uit rond de Duitse componist Boris Blacher, dit weekend tijdens het Grachtenfestival. Op voortreffelijke wijze bracht het gezelschap Blachers beide opera’s en zowat al zijn liederen. Boris Blacher (1904 – 1975) is voor veel muziekliefhebbers terra incognita. Als ze al zijn naam kennen, dan is het van zijn ‘Paganini Variaties’, terwijl hij zoveel fantastische werken heeft gecomponeerd. Verwonderlijk? Niet echt. Hij was van alle markten thuis: vooruitstrevend, maar niet revolutionair genoeg. Politiek en sociaal geëngageerd, maar zonder lidmaatschap van de communistische partij. Experimenterend, maar zonder de grenzen te overschrijden. Hij hield net zo veel van een mopje foxtrot als van ‘variabele metriek’, een manier van componeren waarvan hij de uitvinder was. Tijdens de Tweede Wereldoorlog was hij noch collaborateur noch een meeloper, maar hij nam ook geen deel aan verzet en bleef gewoon in Duitsland. Na de oorlog werd hij door zowel de West-Duitsers als de Ossi’s geaccepteerd. Een allemansvriend is zelden echt geliefd. Gelukkig denken we niet meer in hokjes. KamerOperaProject heeft Blacher in het zonnetje gezet en zijn beide opera’s en zowat alle liederen geprogrammeerd. Om het allemaal in goed perspectief te kunnen plaatsen, werden wij middels lezingen, films en (archief)videobeelden met Berlijn in de eerste jaren na de oorlog geconfronteerd. Er zijn maar liefst drie dagen voor het project uitgetrokken. Het ‘hoofdgerecht’ (als ik het zo oneerbiedig mag zeggen) was Vloed!, een uiterst boeiende voorstelling die samengesteld werd uit drie korte opera’s: Blachers Die Flut uit 1946, aangevuld met zijn Abstrakte oper nr.1 uit 1953 en Der Mann der vom Tode auferstand van Karl Amadeus Hartmann uit 1929. Vloed! liet ons kennismaken met een bankier, die zo in een hoorspel opging dat hij dacht te zijn doodgeschoten door de revolutionairen. Zijn vrouw vond hem radeloos aan, maar dat was maar een verbeelding. De echte nachtmerrie begon toen de bankier en zijn vrouw een uitstapje maakten naar een in zee liggend scheepswrak, waar ze door de vloed werden verrast. Het resulteerde in heftige emoties: erotiek, jaloezie, doodsangst, bedrog en verlangen en aan het eind werd de bankier daadwerkelijk vermoord. Volgens de inleiding zou er een parallel bestaan tussen de hoofdpersonen in de film en de opera, maar eerlijk gezegd zag ik het verband niet. Want al kan je, met enigszins goede, of liever, kwade wil nog iets gemeenzaam tussen de staalmagnaat/commandant uit de film en de bankier ontdekken, de Jonge Man en de dokter liggen mijlenver uit elkaar. De opera zou ook een vingerwijzing zijn naar de oorlogsmisdadigers, maar nu, vijfenzestig jaar later, is het verband niet zo duidelijk. Vandaar ook dat ik het zeer verstandig van KamerOperaProject vond om de actie naar onze tijd te verplaatsen. Juist nu we te maken hebben met de economische crisis, frauderende bankiers (denk alleen aan de bonussen!), rebellerende (pseudo)revolutionairen en de meelopende massa die het allemaal niets kan schelen. De voorstelling was waanzinnig spannend. Er werd voortreffelijk in gezongen en geacteerd. Ik werd met name gecharmeerd door de bariton Alistair Shelton Smith (visser). De begeleiding door de zes musici tellende ensemble was voorbeeldig.
Kleintjes krijgen gewoon geluid uit koper - Twentsche courant tubantia, Ellen Kruithof (2011)
... Het vervolg was het ballet Coppélia, oorspronkelijk in 1870 door Arthur Saint-Léon gemaakt. Door Elsina Jansen was een vereenvoudigde versie gemaakt waaraan ongeveer twintig dansers van de Vooropleiding Theaterdans aan meewerkten. De samenwerking met acteur Stef van den Eijnden in de rol van poppenmaker Dr. Coppelius, verliep soepel. Ook het orkest paste mooi in het geheel, ze speelden een hele verzameling poppen die opgedraaid konden worden. Uit verdriet om het verlies van zijn echte dochter Coppelia heeft de poppenmaker haar evenbeeld gemaakt. Hij probeert deze pop tot leven te wekken door te “ruilen” met Frans, een jongen die uit fascinatie is komen kijken naar Coppelia. Door tussenkomst van Frans' verloofde Neeltje komt het toch nog goed. Volgens het verhaal is Coppelia het hele ballet pop en de danseres verdiende een groot compliment voor het houterige dansen, het eindeloos omhoog houden van de armen, maar vooral voor haar stoïcijnse blik. Het ballet was heel toegankelijk gemaakt en er werd goed gedanst.
Die Fledermaus (Orkest van het Oosten)
Orkest v/h Oosten met
frisse Fledermaus
Die Fledermaus (Noord Nederlands Orkest)
Fledermaus in sfeervol Steenbergerpark - Hoogeveense Courant (28 juni 2010)
Het was boeiend dat regisseur Elsina Jansen de solisten niet alleen liet opkomen vanaf de zijkant van het podium, maar ook vanuit het publiek. Grote hilariteit ontstond er, toe Piotr Micinski (gevangenisdirecteur Frank) op een oude Solex naar het podium reed. Overigens passeerde nog geen minuut daarvoor een vrolijk joggende dame, die met de voorstelling niets te maken had. Met opvallende elementen als een eigentijdse invulling van de wals ‘An der schönen blauen Donau’ door de Hoogeveense streetdancers (Dansschool Schadenberg) en een verrassend gastoptreden van Erik Hulzebosch in de derde acte bracht Elsina Jansen de zaak dicht bij het publiek en wist ze de aandacht op voortreffelijke wijze vast te houden.
Così fan tutte op het schaakbord- Guido van Oorschot, (de Volkskrant, juni 2009)
Bebrilde bollebozen
in poloshirt. Giebelende tutjes met handtas en snoepneigingen.
Zo ziet het studentenmilieu er uit waarin regisseur Elsina Jansen
het amoureuze geklungel plaatst van Mozarts opera Così fan
tutte. Jansen verleent haar diensten aan de Dutch National
Opera Academy, een tweejarige masteropleiding van de
conservatoria van Amsterdam en Den Haag die voorbereidt op het
mooie maar lastige operavak. Jonge Così spettert tot en met - Jordi Kooiman, Operamagazine (2009)
Het gebeurt niet vaak, maar soms heb je van die avonden dat de superlatieven voortdurend door je hoofd zoemen. De spetterende opvoering van Così fan tutte door de Dutch National Opera Academy gisteravond (1/7) was er zo eentje. Zelfs in semiscenische setting en zonder boventiteling overtuigde de productie voor honderd procent. Na vorige week in het Lucent Danstheater in Den Haag te hebben gestaan, verkaste de Dutch National Opera Academy (DNOA) gisteren naar de Bernhard Haitinkzaal van het Conservatorium van Amsterdam voor twee laatste voorstellingen. De zaal bood geen gelegenheid de regie van Elsina Jansen volledig aangekleed uit te voeren. Ook een boventiteling ontbrak. Maar ach, geen mens had er erg in.Of nou ja, door de afwezigheid van vertaling kwamen sommige passages - vooral recitatieven - minder uit de verf voor hen die het libretto niet heel goed kenden (de meesten waarschijnlijk). Maar aan de andere kant: de acteerkunsten van de cast waren van zo’n hoog niveau, dat het verhaal zelfs tot de verbeelding van de allerlekerigste leek zou hebben gesproken. In Jansens versie waren de personages uit Mozarts verhaal studenten. Een jasje op maat voor de cast, aangezien DNOA een masteropleiding is en de zangers dus inderdaad studenten. De regisseur reikte hen een grappige en zeer muzikale regie aan. Haar talrijke treffende gebaartjes en details sloten haarfijn aan op de partituur. Om een voorbeeld te noemen: de zogenaamd vergiftigde Ferrando en Guglielmo werden door de als dokter verkleedde Despina niet met magische krachten gered, maar gereanimeerd met twee strijkijzers. Een scène die fantastisch gebruik maakte van Mozarts muziek. De toneelvaardigheden van de solisten kleurden deze regie bekwaam in. Ze wisten stuk voor stuk zeer precies hun karakter en gevoelens over te brengen en hanteerden de tekst op zo’n natuurlijke manier, dat er echt gecommuniceerd werd op het toneel. Ik weet niet wat ze bij DNOA met hun studenten doen, maar dat ze een potje kunnen acteren, is wel duidelijk. De zangers combineerden dat wervelende werk met prima muzikale prestaties. Florian Bonneau (Alfonso) had iets meer autoriteit in zijn stem kunnen leggen - misschien was hij te veel bas voor zijn rol - maar hij was wel de wijsneus die hij moest zijn. Elmar Gilbertsson (Ferrando) zong met ontroerend kalme tenor: een licht vibrerende klank, een klank van zijde. Hiermee was hij geknipt voor de rol van de naïeve Ferrando en kon hij ook innemend mooi de bekende aria Un aura amorosa zingen. Zijn makker Zhenhua Chang (Guglielmo) was eerst en vooral een knotsgekke komiek. Maar hij beschikte ook over een stabiele, lichte bariton, waarmee hij zijn rol naar behoren zong. Aylin Sezer (Despina) was eveneens grappig in haar acteren. Een sprankelende actrice met een zeer begaafde stem. Je zou niet denken dat je naar een twintiger zat te luisteren. Dat dacht je evenmin bij Kai Rüütel (Dorabella). Wát een kast vol klank! Als zij zong voelde het als een warme massage na een dag hard werken. Maribeth Diggle (Fioriligi) tot slot liet zien dat met haar stem iedere gemoedstoestand kon beschrijven. Soms deed ze vocaal dingen waarvan je wel drie keer met je oren moest klapperen; zoals haar dotten van hoge noten. Niet dat alles honderd procent kloppend was. In de finales waren de heren vaak te zacht en de dames hadden hun coloraturen niet onder de knie. Maar de stemmen waren zo rijk en de performance was zo compleet en echt, dat de voorstelling wél honderd procent overtuigend was. Het ensemble was daarbij een uitstekende steun in de rug. En meer dan dat. Hoewel het klein was, was het prima uitgebalanceerd, zodat het klonk alsof er een vol orkest zat te spelen. Bovendien toverde het onder leiding van Henrik Schaefer prachtige sferen tevoorschijn, met dank aan onder andere de hoogstaande eerste violiste Merel Junge en de heerlijke clavecimbist Peter Nilsson. Om deze positieve tirade samen te vatten: vandaag (2/7) is de productie nog eenmaal te zien in het conservatoriumgebouw en hoewel dan cast B optreedt, raad ik iedereen aan te gaan kijken. Als cast A de standaard is van wat DNOA kan presteren, mag u dit niet missen.
Così fan tutte verkozen in top 10 Beste Opera's van 2009
- opera magazine 10. Così fan tutte (Mozart) – Dutch National Opera Academy Waarschijnlijk de productie die het in 2009 het meeste verdiende om meer aandacht te krijgen. Gehinderd door het etiket ‘Academy’ speelde de productie zich in de schaduw af, maar de kwaliteit was bewonderenswaardig hoog. De jonge solisten zongen zeer tekstbewust en acteerden uitstekend en de regie van Jansen was fris en erg muzikaal
Zie ook deze link
Porno-operette is swingend actueel- Mischa Spel, NRC (2008)
‘Erotische operette’ – het is niet het genre waar je de ernstige Arthur Honegger van zou betichten. Maar met de vrijheid-blijheid predikende Aventures du Roi Pausole (1930), destijds in Parijs goed voor 500 uitvoeringen, bewees Honegger dat zijn instrumentatiekunst wel degelijk ook als pornografische kleurdoos kan worden ingezet. Bevende lage strijkers? Zwoele blazerschromatiek in vaudeville-stijl? Tantrisch prikkelende fluit-glissandi? Na Les Aventrues du Roi Pausole klinkt geen avontuurtje meer hetzelfde.
Opera Trionfi, het sympathieke ad hoc gezelschap van initiatiefneemster Jeanne Companjen brengt met Les Aventures due Roi Pausole voor het tiende jaar ‘Jong muziektheater’. Na verwante producties als Poulencs Les mamelles de Tiresias (2001 – ook onder Ed Spanjaard, ook over de bevrijdingskracht van L’Amour met een dikke ‘L’) bewijst het opnieuw hoe sprankelend muziektheater voor kleine zalen door goede jonge zangers (bijna allen leerling van pedagoge Margreet Honig) kan zijn. In de adviezen van het Fonds voor de Podium kunsten boekte Opera Trionfo onlangs een verdiend triomfje.
Les Aventures due Roi Pausole was nooit eerder in Nederland te zien, en je vraagt je af waarom. De muziek – in Duitsland zou zij ‘Entartet’ hebben geheten – flitst met dank aan dirigent Ed Spanjaard semi-zorgeloos van Spaans hakkengeklak via de charleston naar chansons. Instrumentaties van jaloersmakende inventiviteit en humor smeden alles aan een en worden door het Nieuw Ensemble wellustig en virtuoos uitgespeeld.
Het verhaaltje verdient minder woorden; Koning Pausole heeft een Koningin voor elke Nacht en een dochter die haar ontluiken viert met een travestiet. Het libretto schurkt tegen slapstick aan en omdat de dialogen deels gesproken zijn (beruchte slaapverwekkers, waar ook hier best wat uit had gekund) is de enscenering van Elsina Jansen in alle hupse wuftheid knapper dan zij lijkt.
Grote troef is de overgave van de zangers. Dansje, nummertje, travestie – alles kan en moet zelfs in het Vrije(nde) Rijk van Pausole, innemend geacteerd en gezongen door Marc Pantus. Hilarisch is Franscis van Broekhuizen als bronstige Koningin van deze nacht. Zo zie je, ook een ‘sleets’ bevonden genre als operette kan herleven. En met verwijzingen naar de Crisis (al was het die van 1929) is deze zelfs ronduit actueel.
Vrijmoedige lofzang op de liefde- Frits van der Waa, (Volkskrant 2008)
‘U bent een gelukkig en vrij volk, de staatskas is goed gevuld, werkloosheid kennen we niet, uw geld is waardevast.’ Met die onverwacht actuele woorden richt koning Pausole zicht tot zijn volk, en de zaal ligt in een deuk. Zouden ze er in 1930 ook zo om hebben moeten lachen?
De meeste grappen in de operette Les Aventures due Roi Pausole zijn niet politiek, maar seksueel van aard. In de lichtelijk absurde operette die Arthur Honegger schreef naar een toneelstuk van Pierre Louys draait het om een koning die 365 echtgenotes heeft – voor elke dag van het jaar één – en een dochter die er eerst vandoor gaat met een danseres om ten slotte te vallen voor de charmes van een page.
Het stuk schijnt destijds een groot succes geweest te zijn, maar is daarna onder het stof van de tijd verdwenen. Opera Trionfo en het Nieuw Ensemble hebben het er weer onderuit gehaald, en er een in alle opzichten geslaagde voorstelling van gemaakt. Maar dat is niet in de laatste plaats te danken aan de kwaliteiten van het werk zelf. Hoewel het libretto doordrenkt is van scrabreuze humor, wordt het nergens plat. De grappen zijn spits en stijlvol, wat nog in de hand wordt gewerkt door het rijm, dat in de sprankelende Nederlandse boventiteling van Janneke van der Melen goeddeels overeind is gebleven.
En dan is er natuurlijk de muziek. Wat we kennen van het werk van de Zwitser Honegger is gewoonlijk serieuzer van toon dan de muziek van zijn mede-leden van de Groupe des Six: hier komt hij lichtvoetig voor de dag. Baanbrekend is de muziek niet, maar Honegger heeft er hoorbaar met plezier aan gewerkt: zwier en zorgvuldigheid zetten de toon, er zijn zinnelijke vioolschuivertjes, broeierige blazers en het wemelt van de stijlparodieën.
De vijftien zangers die Opera Trionfo bijeen heeft gezocht zijn voortreffelijk gecast, van de zes koninginnen die onder het zingen mooi synchrone dansjes ten beste geven, tot de boomlange boer die op het verkeerde moment ‘Leve de republiek!’ roept. De naieve prinses (Simone Riksman) is al even ontwapenend als de hitsige vorstin (Francis van Broekhuizen), Fabio Trumpy en Marc Pantus schitteren als koning Pausole en zijn page, maar ook de rest van de zangersequipe verdient alle lof, temeer door de volkomen natuurlijke wijze waarop ze de gezongen en de gesproken gedeelten met elkaar verbinden. Dat alles speelt zich grotendeels af tussen kleurig beschenen gordijnen en één of twee grote, hartvormige bedden waarop mannen en vrouwen van kleding en identiteit wisselen en onder dekens met elkaar kroelen.
Hoe vrijmoedig deze lofzang op de liefde ook is, ze blijft in de regie van Elsina Jansen allemaal heel kuis, en nee, Pausole is natuurlijk geen meesterwerk, maar wel een ten onrechte vergeten kleinood.
Jonge tenor eist nu de tragische hoofdrol op- Kasper Jansen (NRC,2008)
Vocaal juweeltje aan boord van een schip - Kees Arntzen (Trouw 2007) Gewoel van passagiers, kruiers en ambulante handel; ook zangers, muzikanten en een enkele chique dame met glacé-handschoenen en een rieten koffertje vertonen zich: al in de foyers worden de bezoekers van 'La Barca' de voorstelling ingezogen. De theaterzaal zelf is het schip, dat je slechts na vertoon van je 'boarding-pass' mag betreden. Met de boot van Venetië naar Padua varen kan nog steeds, het kanaal dat in de zestiende eeuw al dienst deed, biedt de hedendaagse toerist in het vlakke laguneland verrassend Hollandse tafereeltjes van kroos en geknookt riet. In de vroege zestiende eeuw was het de gangbare reisroute voor allerlei slag lieden. Wellicht ook toen met een toeristisch accentje: aan weerskanten rijzen nog steeds de majestueuze villa's op die sterarchitect Palladio er indertijd voor de rich and famous liet neerzetten. Die veelkleurige ongerijmdheid van het passagiersaanbod was voor componist Adriano Banchieri aanleiding er zijn muzikale fantasie op los te laten. Twintig madrigalen - vocale ensembles op Italiaanse tekst - in 'La Barca' aangevuld met een paar andere toppertjes uit zijn tijd, reeg hij aaneen tot een verhaal waarin hij prototypes uit de commedia dell'arte kwijt kon, van het Leuke jonge ding' tot de 'onaangepaste (Duitse) vreemdeling'. Gezongen muziek en theater gingen zo een verbond aan en vormden een voorbode van de opera. Het Kassiopeia Kwintet van bas Tido Visser staat aan de basis van deze opmerkelijke productie. Met twee gastzangers uitgebreid tot een septet vervulden zij alle passagiersrollen, waarbij naast knappe samenzang vooral het acteertalent van de dames en de mooie tenor van Jan-Willem Schaafsma opviel. Terwijl het Ensemble Elyma onverstoorbaar en op hoog niveau op authentieke instrumenten musiceert, buitelt alles in deze voorstelling over elkaar heen; mimespel, goochelkunst, storm-op-zee en, zoals een echte love-boat betaamt, amoureuze verleidingen van zwoele nachten. De protagonisten op het toneel wisten telkens bijtijds weer gas terug te nemen en het daarheen te leiden dat een volgend vocaal juweeltje tot zijn recht kon komen Voor wie de oude muziek nog als een onbekend gebied braak ligt, is deze goed doordachte en tot in de puntjes afgewerkte voorstelling zeker een aanrader. Gepassioneerd beeld fifties VS - Rien Frolich (AD Haagse Courant, 2007) Opera, hoe klein ook, is als kunstvorm uniek. Dat werd zaterdagavond nog eens duidelijk in Zwembadtheater De Regentes. Daar ging onder de titel I’m very lonely in my way een productie van drie korte opera’s van vooraanstaande componisten in première. Samen duren ze nog geen veertig minuten A hand of Bridge van Samuel Barber, Four Dialogues van Ned Rorem en Introductions & Goodbyes van Lucas Foss – de laatste twee waren hier nooit geënsceneerd te zien – kijken kritisch en komisch naar de samenleving in het Amerika van de jaren vijftig van de vorige eeuw. Ze gaan over eenzaamheid en onvervulde verlangens. Niet alleen vanwege de tijdsduur werden ze omlijst door vijftien liederen, grotendeels van dezelfde componisten – waaronder Rorems prachtige I am Rose, dat met de operaatjes wedijvert in kortheid: precies 21 seconden - maar als contrast ook van Bowles, Feldman en Bernstein. I’m very lonely in my way’ (laatste woorden van de vrouw in Four Dialogues) een productie van Opera in Progress, is tot in detail doordacht. In een sublieme regie, sober voor de opera’s, maar juist levendig voor de liederen, laat Elsina Jansen beide kunstvormen op natuurlijke wijze in elkaar vloeien. Om het onderscheid voor de toeschouwer te vergemakkelijken zijn de opera’s kleurig, de liederen, licht scenisch, juist sober van tint. De zeven jonge zangers –Esther Huisman, Jenny Haisma, Suzanne Lena, Matthijs Frankena, Emile van der Peet, Frank Hermans en Coert van de Berg – vormen een evenwicht ensemble. Met de twee uitstekend begeleidende pianisten Jeroen Sarphatie en Kimball Huigens geeft I’m very lonely een intiem en ook ontluisterend beeld van een samenleving waarin ‘ voor iedereen een auto en een elektrische grasmaaier’ het belangrijks lijkt, maar waarin het onder de oppervlakte broeit. Voor die intimiteit is de Regentes - een ‘volle bak’ – te groot. Om alle lagen en achtergronden mee te krijgen is één keer zien bovendien niet genoeg. Jan van den Berg (Gouden Kalf in 2005 voor zijn Cambodja-film Deacon of Death) maakt over de productie een documentaire. Nixon in ChinaJansens enscenering van 'Nixon in China' is vernuftig in al zijn eenvoud - de Volkskrant, Kunst & Cultuur, 2005 Wat gaat er om in de president van Amerika als hij op staatsbezoek is? Dat is het eigenlijke thema van Nixon in China, de opera waarmee John Adams in 1987 de wereld en veler harten veroverde. De opera is gebaseerd op het bezoek dat Richard Nixon in 1972 bracht aan de Grote Roerganger Mao Tse-Toeng (zoals dat toen nog gespeld werd). Het was indertijd heel vreemd om de toen nog vrij recente televisiebeelden op een operapodium nagespeeld te zien. Intussen is die gebeurtenis wel twee keer zo lang geleden, en liggen ook de opvoeringen van de Nederlandse Opera uit 1988 ver achter ons, maar eigenlijk heeft Adams' opera niet aan actualiteitswaarde ingeboet. Dat is te zien in de Amsterdamse Theater Fabriek, waar het Utrechts Blazers Ensemble en het Strijkorkest Zoroaster in een gezamenlijke productie een sprankelende enscenering van het werk brengen. Zeker voor twee amateurgezelschappen is dat een enorme logistieke en artistieke prestatie. Nixon in China is namelijk een stevige opera met alles erop en eraan, en Adams' uit het minimalisme voortgekomen muzikale idioom mag dan op het oor eenvoudig klinken, maar bevat vooral in ritmisch opzicht veel addertjes onder het gras. De enscenering van Elsina Jansen is vernuftig in zijn eenvoud. Met minimale middelen, zoals verrijdbare praktikabels, tafels en stoeltjes, wordt de entourage geschapen waarin Nixon, Mao, hun beider eega's en de secondanten Henry Kissinger en Tsjoe En-Lai hun plichtplegingen volvoeren. Uiteraard had ook Jansen zich, net als regisseur Peter Sellars indertijd, te houden aan de oorspronkelijke beelden, zodat Pat Nixon bijvoorbeeld nog altijd in datzelfde wat truttige rode mantelpakje rondloopt. Het vliegtuig uit de eerste scène heeft ze maar weggelaten, maar de afdaling van de bijbehorende trap is er niet minder effectief om. Voor de solopartijen zijn beroepszangers aangetrokken, die zich met zichtbaar plezier in hun rol storten. Vooral Pieter Hendriks (Nixon) springt eruit, met zijn smeuïge bariton. Maar ook Marieke Steenhoek (Pat), Bernard Loonen (Mao) en Orlanda Velez Isidro (Chiang Ch'ing) zijn op hun taak berekend, terwijl Willem de Vries en Marc Pantus als Tsjoe en Kissinger in de zijlijn veel fraais laten horen (al lijkt de lange, dunne Pantus wel erg weinig op de werkelijke Kissinger). Maar de drijvende krachten zijn toch wel de koorzangers en de orkestmusici, die onder aanvoering van Paul Janse de allesbehalve minimalistische muzikale nuances een welhaast professionele gestalte geven. Nixon in China blijft een verrukkelijke opera, niet alleen omdat Adams van elke drieklank een feestje bouwt, maar vooral omdat de fictieve zielenroerselen, visioenen van een betere wereld en nostalgische mijmeringen, op een briljante manier losgezongen worden uit de historische feiten - wat des te ironischer werkt omdat we ook in 1987 al wisten dat Nixon en Mao niet zulke brave jongens waren.
Amateurs veroveren opera 'Nixon in China' met passie
- Peter van der Lint (Trouw, 2005) |